Wat maak ik met... knolselderij
Knolselderij (of selderijknol) kún je natuurlijk in de erwtensoep doen. Of in een stevige stamppot. Maar ook als je ’s winters een beetje zwaarmoedig wordt van al die zware kost heb je aan dit knoestige broertje van bleekselderij en bladselderij een goeie. Niet alleen omdat zo’n knol ontzettend veel vitamine C bevat, maar omdat je er, zoals dat heet, “alle kanten mee op kunt.”
Wij denken bijvoorbeeld meteen aan een klassieke Waldorfsalade met appel en walnoten als we zo’n knolletje zien. Of aan een prima puree die je (half-om-half) maakt met een lekkere aardappel erbij. Op aanraden van Johannes van Dam serveren we kleine blokjes in room gegaarde selderijknol gaarne bij een stukje wild. En bij straffe oostenwind maken we er een hartverwarmende soep mee: bouillon, (gepureerde & gekookte) knolselderij erbij en oppeppen met koriander, komijn en pepertjes.
Even wat praktische tips: een selderijknol moet keihard zijn als je ‘m koopt, dan is ie nog lekker vers. Zit er loof aan: weg ermee! Het staat reuzeleuk, maar de stengels zuigen het vocht uit de knol, die dan zacht en/of taai wordt. Een knolselderij schil je pas vlak voor gebruik, anders verkleurt de prachtige witte knol. Bewaar zo nodig nog even in water met een beetje azijn of citroensap.



